De familie Vredeman,

Ofwel Leeuwarden-Mechelen-Leeuwarden[*]

 

Rudolf Rasch

(Utrecht)

 

(Met toestemming overgenomen uit Revue Belge de Musicologie vol. LIX (2005). De eindnoten kunt u raadplegen door op de betreffende link te klikken; u keert terug naar de hoofdtekst door in de eindnotenlijst opnieuw op die link te klikken)

 

Tegenwoordig worden muziek en beeldende kunsten — hoewel beiden onder de noemer “kunsten” vallende — grotendeels als gescheiden circuits beschouwd, met aparte groepen van beroepsbeoefenaren die weinig interacteren. In het verleden gold dit uitgangspunt misschien ook wel, maar wellicht minder exclusief als vandaag. Wanneer wij bijvoorbeeld familieverwantschap als maatstaf nemen voor verwantschap in de beroepsuitoefening, dan zijn er in de 17e-eeuwse Nederlandse Republiek verschillende malen relaties tussen beide werelden te leggen. De kunstschilder Gerrit Pieterszoon Sweelinck (Amsterdam 1566-1628?) bijvoorbeeld was een jongere broer van Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621), componist en organist in Amsterdam.[1] De schilder Joan van Noordt (c1625-c1680) was de zoon van de beiaardier Sybrandus van Noordt Senior en de broer van de Amsterdamse organisten Jacobus en Anthoni van Noordt.[2] De Leidse schilder Arie de Vois (Utrecht c1632-Leiden 1680) was de zoon van Alewijn Pieterszoon de Vois, organist in Utrecht en Leiden, en de broer van Pieter Alewijnszoon de Vois, organist in Leiden. Cornelis Dusart (1600-1704) was de zoon van de Haarlemse organist Johan Dusart en de broer van Jan Dusart Jr., Jacob en Theodoor Dusart, die allen als musicus bekend zijn.[3] Jan Steen, ten slotte, was op een ingewikkelde wijze verwant met de Leidse muzikantenfamilie Van Rijnsburch en met de familie De Vois.[4] Wellicht zijn meer voorbeelden mogelijk, maar we zullen daarvan afzien, behoudens de familie die het onderwerp van dit artikel vormt.
  
In de genoemde gevallen zijn de verwantschappen duidelijk en eenvoudig te benoemen. De musici en kunstenaars uit dezelfde familie werkten doorgaans in dezelfde plaats. Deze kenmerken gelden echter niet voor de verschillende muzikale en artistieke leden van de familie Vredeman, of, uitgebreider, Vredeman de Vries. Hier gaat het om een familie met muzikanten en beeldende kunstenaars waarbij de onderlinge relaties allerminst duidelijk zijn en waarbij tevens verschillende steden in zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden betrokken zijn.
   In de kunstgeschiedenis is Hans Vredeman de Vries (1526-1609) een goede bekende, als schilder, tekenaar, ontwerper en architect, geboren in Leeuwarden. Hij bracht belangrijke perioden van zijn leven door in Mechelen en Antwerpen, maar tevens heeft hij door Duitsland gereisd. In de muziek zijn andere Vredemans bekend: Sebastiaan Vreedman publiceerde in 1568 en 1569, op welk moment hij musicus in Mechelen was, twee omvangrijke bundels met muziek voor de citer. Later was hij nog klokkensteller in Leiden. Michiel Vredeman was musicus in Utrecht gedurende de decennia rond 1600. Jaques Vredeman, tenslotte, was musicus in Leeuwarden in het begin van de 17e eeuw.

   De vraag is nu of het verantwoord is al deze Vredemans te zien als leden van één familie, in weerwil van de uiteenlopende plaatsen waar zij woonden en werkten, in weerwil van de variatie in schrijfwijze en betekenis van de naam “Vredeman” in hun volledige naam, en — zoals we zullen zien — in weerwil van het ontbreken van directe bewijzen van de verwantschap in een aantal gevallen. Het antwoord op deze vraag is vrijwel zeker ja, maar onmiddellijk moet worden toegegeven dat er in de definitieve onderbouwing van die stelling nog verschillende hiaten zijn.
  
Dit artikel is niet het eerste dat zich bezig houdt met de relatie tussen de beeldende kunstenaars en de musici met de naam Vredeman. Reeds in het begin van de vorige eeuw boog de Belgische onderzoeker Georges Van Doorslaer (Mechelen 1864-1940) zich over het probleem van de Vredemans en publiceerde zijn bevindingen in 1920.[5] Na Van Doorslaer — die in 1935 nog kort en zijdelings op de kwestie terugkwam[6] — is de problematiek besproken in een aantal Nederlandse publicaties,[7] deels in een Friese muziekhistorische context.[8]

 

Hans Vredeman de Vries

De beeldend kunstenaar Hans Vredeman de Vries is ongetwijfeld de bekendste van het hele stel. Geboren in Leeuwarden in 1526 — volgens de jongste gegevens — werd hij aldaar opgeleid als schrijnwerker en glasschilder, vervolgens in Kampen als schilder, alvorens hij zich in 1548 in Antwerpen als poorter inschreef.[9] Als hij de “Joannes Leovariensis Frisius” is die zich in 1545 inschreef bij de universiteit van Leuven, dan heeft hij nog enkele jaren daar als student doorgebracht.[10]

Vanaf de vroege jaren 1550 tot begin jaren 1560 verbleef Vredeman in Mechelen, waar hij huwde met Johanna van Muysene. Hij keerde terug naar Antwerpen, waar hij na het overlijden van Johanna hertrouwde met Sara van der Elsmer. Deze laatste schonk hem twee zoons: Paulus (1567-1616/7) en Salomon (geboortejaar onbekend, gestorven in 1604). Ook zij werden beeldend kunstenaar, zij het grotendeels in het voetspoor van hun vader. (Van Salomon is geen zelfstandig werk bekend.) In 1570 verliet Hans Vredeman de Vries Antwerpen, verbleef te Aken en Luik, maar keerde in 1575 terug naar de Scheldestad om er aan een groot aantal bouwprojecten mee te werken. Kort na de verovering van Antwerpen in 1585 door de hertog van Parma verliet hij de stad en verbleef vervolgens in een aantal plaatsen in Duitsland, waaronder Frankfort, Wolfenbüttel en Brunswijk (1587-91), Hamburg (1591-92, 1596, 1598-99), Danzig (1592-96) en Praag (1597-1598). Na een Amsterdamse periode van 1600 tot 1605 keerde hij naar Hamburg terug, waar hij in 1609 moet zijn overleden. Naar het schijnt heeft hij na zijn jeugd zijn geboorteplaats Leeuwarden niet meer teruggezien. Zijn artistieke nalatenschap bestaat thans uit een aantal schilderijen benevens talloze tekeningen en architectonische ontwerpen, deze laatste voor een belangrijk deel als grafiek gepubliceerd tijdens zijn leven, doorgaans in series met een voorafgaande titelbladzijde en toelichting. Van deze publicaties zijn de Architectura (Antwerpen, 1577) en de Perspective (Leiden, 1604) het meest verspreid geweest.
  
Hans Vredeman de Vries (gravure van Hendrik Hondius, 1604)
Over Hans Vredeman de Vries bestaat een uitvoerige kunsthistorische literatuur,
[11] die echter — op een enkele uitzondering na — met geen woord rept over de mogelijke verwantschap met de muzikale Vredemans.[12] Dat is niet zo verwonderlijk: geen enkel eigentijd biografisch document rond de kunstenaar verwijst ook maar in het minst naar het bestaan van muzikale verwanten.
  
Tot nu toe is de kunstenaar naar algemeen gebruik “Hans Vredeman de Vries” genoemd. In datzelfde algemeen gebruik wordt het naamdeel “Vredeman” thans als een deel van een soort dubbele achternaam gezien. Dit gebruik zou echter in twijfel moeten worden getrokken. In eigentijdse documenten wordt Hans Vredeman meestal aangeduid als “de Vriese” of “Vriese” zonder “Vredeman” en wel op zo’n manier dat de aanduiding “Vriese” geen herkomstaanduiding is, maar een achternaam. Bij zijn poorterinschrijving in Antwerpen heet hij “Jan de Vriese Diericx van Leeuwarden”. Talrijke schilderijen en tekeningen zijn gesigneerd zonder het “Vredeman”. In feite is er geen enkele reden om het naamdeel Vredeman als een achternaam te beschouwen. Veeleer is het een tweede voornaam of nog eerder een soort bijnaam of alias.
   
Het gebruik van de naam Vredeman stamt uit de Mechelse periode. Op de titelbladzijde van Multarum variarum protractionum... libellus utillimus uit 1555 wordt hij naar het schijnt voor het eerst “Johannes Vreedmannus Frisius” genoemd. In het gedicht dat hij op 26 juli 1562 voordroeg op het rederijkersfeest in Brussel als lid van de Mechelse rederijkerskamer “De Pioenebloem” wordt de naam “Vredeman” verwerkt in een soort motto of kenspreuk: “Zijt altijt, Vreedman Vriese”.[13] Dat de naam Vredeman letterlijk moet worden opgevat in de zin van vredestichter of vredemaker, blijkt uit de inhoud van het gedicht. Het motto komt terug onder het gedicht dat hij toevoegde aan zijn ontwerp voor een houtsnede van het nieuwe stadhuis van Antwerpen (1564)[14], in het voorwerk van de Archtectura (1577), en onder de handgeschreven opdracht die hij toevoegde aan het exemplaar van de Archtectura dat hij aan Willem de Zwijger schonk (1578). Die opdracht is een acrosticon op de woorden WILHELMVS VAN NASSOV DORANGE PRINCHE IOHANS VREDEMAN VRIESE.[15]   

Maar er is meer aan de hand met de naam “Hans Vredeman de Vries” dan alleen met betrekking tot het naamdeel “Vredeman”. Men kan bijvoorbeeld gemakkelijk bezwaar maken tegen de schrijfwijze “Vries” of “De Vries” zonder de slot-e. De eigentijdse bronnen geven in overweldigende meerderheid “Vriese” of “De Vriese”. Het lidwoord “de” wordt naar het schijnt daarbij vaker weggelaten dan gebruikt. Tenslotte is zelfs de voornaam “Hans” aanvechtbaar. Weliswaar maakt de meerderheid van de signeringen van tekeningen en schilderijen gebruik van deze vorm (vaak tot een ligatuur verkort), maar de gedrukte bronnen en eigentijdse documenten schrijven doorgaans Jan, Johan of Johannes. Kortom, de naam “Hans Vredeman de Vries” met “Vredeman” in de achternaam is een constructie achteraf, die vermoedelijk in twee stadia tot stand is gekomen. Carel van Mander lijkt met zijn schrijfwijze “Hans Fredeman de Vries” de voornaam Hans en vooral ook de achternaam “de Vries” zonder slot-e te hebben ingevoerd.
[16] De zienswijze van Vredeman als achternaam is vermoedelijk een midden-20e-eeuwse, want zelfs het lemma in het Thieme-Becker Lexicon uit 1940 alfabetiseert de kunstenaar nog onder de V van “de Vries”.[17]

   Beter zou het uiteraard zijn deze kunstenaar in overeenstemming met het eigentijdse gebruik “Johan Vredeman Vriese” te noemen, maar het is niet aannemelijk dat het tij in dit opzicht nog kan worden gekeerd.
  
Thans is de naam Vredeman, zowel als voornaam als achternaam, uiterst zeldzaam (in tegenstelling tot de naam “De Vries”, de meest voorkomende achternaam in Nederland). Een zoektocht op het internet en de KPN telefoongids leverde in Nederland enkele personen op met de achternaam Vredeman, geen van hen in Friesland;[18] in België leeft iemand met de voornaam Vredeman.[19] Verder staat de naam Vredeman op lijsten van namen die aan paarden kunnen worden gegeven.[20] In Duitsland is de corresponderende voornaam “Friedemann” absoluut niet zeldzaam — denk aan Wilhelm Friedemann Bach —, maar deze naam lijkt niet in historisch verband te staan met het hier besproken “Vredeman”.

Sebastiaan Vreedman
De relatie tussen Hans Vredeman de Vries en de muzikale Vredemans loopt via de musicus Sebastiaan Vredeman. Deze laatste publiceerde twee boeken met muziek voor de citer, verschenen in respectievelijk 1568 en 1569, beide uitgegeven door Petrus Phalesius (Senior) in Leuven. Het eerste boek draagt de titel Nova longeque elegantissima cithara ludenda carmina, cum Gallica tum etiam Germanica, Fantasiae item, Passomezzi, Gaillarde, Branles, Almandes, etc.[21]
   Het tweede deel is soortgelijk aan het het eerste en heeft de titel Carminum quae cythara pulsantur Liber secundus, in quo continentur, ut Passomezzi, Gaillardes, Branles, Alemande, & alia eius generis permulta quae sua dulcedine auditorum animos mire oblectant.[22] Het Liber secundus bevat aan het eind vier stukken die overgenomen blijken te zijn uit een vijf jaar eerder (1564) door Phalesius uitgegeven citerboek, namelijk de Nova et elegantissima in cythara ludenda carmina, met werk van Fredericus Viaera, een componist waarvan geen biografische gegevens bekend zijn behalve de toevoeging “Frisius” achter zijn naam.[23] Hij kwam dus uit Friesland, al lijkt de achternaam “Viaera” dat niet te ondersteunen.[24] Viaera’s opdracht in Latijnse verzen aan de Utrechtse domkanunnik Johan van Zuylen bevestigt de noordelijke achtergrond.[25] Omdat hij een deftig Latijns lofdicht vervaardigde voor de bundel met luitmuziek die Phalesius in 1563 uitgaf als Theatrum musicum, zal hij wel in Leuven hebben geleefd en mogelijk ook hebben gestudeerd.[26] Tot nog toe heeft de Friese muziekgeschiedschrijving deze componist links laten liggen. Hoe de relatie tussen Viaera en Vredeman is geweest blijft vooralsnog volstrekt onduidelijk.
  
Terug naar de citerbundels van Vreedman. Beide bundels noemen de componist op de titelbladzijde “Sebastianus Vreedman Mechliniensis” en dit situeert zijn geboorte, opvoeding of verblijf in Mechelen. Van Doorslaer volgde deze aanwijzing en vond onder de parochianen van de Sint-Romboutsparochie een “Sebastiaen de Vriese Vreedtman” die in 1574 woonde in de Sinte-Katelijnestraat bij de Hondsbrug. Nu zijn zowel de naam “de Vriese” als “Vreedman” zo ongewoon in het Mechelen van die tijd, en zeker in combinatie, dat men niet anders kan dan Van Doorslaer gelijk geven in zijn mening dat er een connectie met Hans Vredeman de Vries moest zijn. Bovendien woonde en werkte Hans Vredeman de Vries aantoonbaar in Mechelen van de vroege jaren 1550 tot de vroege jaren 1560.
  
Het opgegeven adres, het huis “Den Gulden Bal”, thans Sint-Kathelijnestraat 25, versterkt de indruk van een connectie nog. Uit de impostoplegging van 1578 blijkt dat Vreedman het huis huurde van Clara Crabbe, de weduwe van Jan van Espleghem.[27] Bij deze laatste persoon moet het gaan om de schilder Jan Crabbe alias Van Espleghem, die in 1576 was overleden.[28] Hij was de zoon van de bekende schilder Frans Crabbe alias Van Espleghem, overleden in 1552. Dat Sebastiaan zijn huis van een schildersweduwe huurde en vermoedelijk ook al eerder van een schilder lijkt niet losgezien te kunnen worden van zijn familierelatie met de kunstenaar Hans Vredeman de Vries.
  
De vraag is nu welke relatie Sebastiaan tot Hans had. Van Doorslaer stelde dat Sebastiaan Vreedman een zoon was van Hans,[29] maar deze verbinding leidt tot onwaarschijnlijke gevolgtrekkingen. Van Doorslaer ging voor de geboortejaren van de zoons van Sebastiaan (achtereenvolgens Jaques en Michiel) uit van 1563 en 1564. Hij kende de traditie om 1527 als het geboortejaar van Hans te beschouwen, maar besefte dat dat zou resulteren in een leeftijdsverschil van minder dan veertig jaar tussen grootvader Hans en de kleinzoons. Van Doorslaer loste deze paradox op een wat merkwaardige manier op. Hij stelde het geboortejaar van Sebastiaan zo laat mogelijk, namelijk op rond 1542, zodat diens zoons werden geboren terwijl deze begin twintig was.[30] Vervolgens trok Van Doorslaer het geboortejaar 1527 van Hans in twijfel: om de geboorte van Sebastiaan in 1542 te kunnen volhouden moest hij de geboorte van Hans wel enkele jaren eerder laten plaatsvinden.[31] Van Doorslaers visie op de relatie tussen Sebastiaan en Hans heeft stand gehouden tot in de jaren 1970.[32] Het veronderstelde geboortejaar 1542 van Sebastiaan heeft zich zelfs gehandhaafd tot in de meest recente muzikale lexicografie.[33]
   In de Friese muziekhistorische literatuur is een wat variante zienswijze op de relatie tussen de verschillende Vredemans ontstaan die berust op het verkeerd begrijpen van opmerkingen hierover die door de Leeuwarder archivaris Rinske Visscher waren gepubliceerd in 1925.[34] Visscher wees Van Doorslaers conclusies af. Omdat zij had gevonden dat Jaques Vredeman in 1616 57 jaar oud was en dus vlak vóór 1560 was geboren kon zij zich niet vereniging met de veronderstelling dat Vredeman een kleinzoon van Hans was.[35] Maar zij gaf niet aan hoe de relatie wel zou zijn. Aafke Komter-Kuipers trok daaruit de conclusie dat Sebastiaan en Jaques beiden zoons van Hans waren,[36] een mening die men ook vindt in het recente Muzyk yn Fryslân.[37]
   In de artikelen die Visscher over de verschillende Vredemans schreef voor het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek uit 1927 sprak zij zich echter wel uit over de onderlinge relaties: zij beschouwde Sebastiaan als een vermoedelijke broer van Hans, maar zij zweeg over wie de vader van Jaques zou zijn.[38] En inderdaad kan er een veel gemakkelijker stamboom van de Vredemans worden opgesteld als we aannemen dat Sebastiaan een jongere broer was van Hans en niet zijn zoon. Voor de geboorte van Jaques Vredeman, vrijwel zeker een zoon van Sebastiaan, is een datering in de late jaren-1550 nagenoeg zeker (hierover zo dadelijk meer) en dat maakt een geboorte van Sebastiaan rond 1530 of begin jaren-1530 aannemelijk, tien of meer jaren eerder dan Van Doorslaers 1542. In dat geval is hij zo rond vijf jaar jonger dan Hans, een zeer plausibele situatie wanneer beiden broers van elkaar zouden zijn. Tot voor kort is deze veronderstelling nog door de schrijver van dit artikel aangehangen.[39]
   Er is echter een ernstig probleem met de aanname dat Sebastiaan Vredeman een broer is van Hans Vredeman de Vries, buiten het gegeven dat in de documenten rond Hans de naam Sebastiaan niet voorkomt. Als Sebastiaan een broer van Hans zou zijn en rond 1530 zou zijn geboren, dan is een geboorte in Leeuwarden te verwachten. Hans had zijn aanvankelijk opleiding in het noorden en vestigde zich pas rond 1550 in het zuiden. Maar als we het “Mechliniensis” op de titelpagina’s van de citerbundels van Sebastiaan letterlijk nemen, zou deze in Mechelen geboren moeten zijn. De uitgever van de citerboeken, Petrus Phalesius Senior in Leuven, nam relatief weinig aanduidingen van geboorteplaatsen op in de titels van zijn uitgaven, maar als ze voorkomen, kan men ze niet zomaar negeren.[40]

   Wellicht brengt een Mechelse acte uit 1573, waarop Van Doorslaer in 1935 het eerst de aandacht vestigde, hier uitkomst.[41] In deze acte is sprake van de broers Jacob en Machiel de Vriese, zoons van Jan de Vriese, reeds overleden. In eerste instantie vergroten deze gegevens de verwarring. Als deze Jacob en Machiel gelijkgesteld kunnen worden aan de musici Jaques en Michiel Vredeman, die wij later nog uitvoerig zullen behandelen, dan is hun vader niet Sebastiaan Vredeman, zoals tot nog toe werd aangenomen, maar Jan de Vriese, die zeker niet identiek is met Hans Vredeman de Vriese, die in 1573 nog leefde. De volledige acte luidt:
 

Ghesien by mynen Heeren Gouverneur ende Raedtsluyden binnen der stede van Mechelen het proces beleedt tusschen Jacob ende Machielen de Vriese wylen Jans de Vriese ende Katelynen Hemelrycx kinderen ten eenre, ende Henrick Verstappen verweerder ter anderen zyden, myn von[ni]s alhier diffenitivelyck in desen te wysen, admitteren den voorsz. aenleggeren op de feyten by henlieden geposeert. Actum xiijen Junij 1573.

 

Jacob en Machiel de Vriese voerden dus een proces tegen Hendrik Verstappen en deze constatering maakt het zeer onwaarschijnlijk dat het om de musici gaat. Deze waren in 1573 pas rond 15 en 10 jaar oud en het lijkt niet aannemelijk dat ze zonder voogden een proces konden voeren. Bovendien weten wij dat de vader van de musicus Michiel Vredeman Sebastiaan heette.

Er is een aanvullende aanwijzing voor de aanwezigheid van een volwassen Machiel de Vriese in Mechelen gedurende het derde kwart van de 16e eeuw. In de lijst van inschrijvingen van de Mechelse rederijkerskamer “De Pioenebloem” komen we de naam “Machiel de Vriese” tegen, die zich nog eerder heeft ingeschreven dan “Jan de Vriese alias Vredeman”, die kennelijk later in de jaren 1560 lid werd.[42] De inschrijvingen zijn helaas ongedateerd maar de biografische gegevens die Van Autenboer verschaft met betrekking tot de namen die vlak vóór en vlak na “Machiel de Vriese” staan maken een inschrijving in de vroege jaren 1550 niet onmogelijk.[43] Het is aannemelijk dat het deze Machiel de Vriese is die in de procesacte van 1573 wordt genoemd.
  
De overeenkomst in de voornamen van de twee broers in 1573 — Jacob en Machiel — en die van de latere musici, vermoedelijk eveneens broers — Jaques en Michiel — lijkt echter wel op een familierelatie te wijzen, al zijn de voornamen alles behalve zeldzaam geweest. De eenvoudigste familieverwantschap die de gegevens toelaten is te veronderstellen dat Sebastiaan Vreedman een broer was van deze Machiel en Jacob. Het zou dan kunnen gaan om een tak van de familie “De Vriese” die al enige tijd in Mechelen was gevestigd.
   Als de zojuist gegeven hypothese juist is, kunnen de drie broers Sebastiaan, Jacob en Machiel geen broer zijn van Hans Vredeman de Vries. De vader van Jacob en Machiel heette Jan de Vriese, die van Hans Dirck de Vriese. Om de hypothese dat Hans Vredeman en Sebastiaan Vreedman verwant waren niet te laten vallen, is een aanvullende hypothese nodig. namelijk dat de vaders Dirck en Jan de Vriese broers waren. De wat verdere verwantschap tussen Hans en Sebastiaan — neven onder de nieuwe hypothesen — zou tenminste verklaren waarom we de naam Sebastiaan niet in documenten rondom Hans tegenkomen. Maar hier worden eigenlijk teveel hypothesen op elkaar worden gestapeld.
   Sebastiaans achternaam wordt op de titelbladzijden slechts als Vreedman gegeven, waarbij het “de Vriese” is komen te vervallen. Merkwaardig is dit wel. Als we aannemen dat Vredeman eigenlijk een aangenomen tweede voornaam van Hans Vredeman de Vries was, dan verwisselt Sebastiaan zijn oorspronkelijke achternaam voor de aangenomen voornaam van zijn veronderstelde neef.
   Sebastiaan moet in Mechelen als getrouwde man hebben geleefd, aangezien hij de vader is van Michiel Vredeman en de vermoedelijke vader van Jaques Vredeman. Maar noch de naam van zijn vrouw noch het jaar van het huwelijk zijn bekend. Overigens is alleen Sebastiaans vaderschap van Michiel zeker; dat van Jaques is een hypothese, waarover later meer.
   Rond 1580 moet Sebastiaan Vreedman Mechelen hebben verlaten. Er zijn aanwijzingen voor een verblijf in Brussel en/of Antwerpen, maar deze aanwijzingen zijn uitgesproken “zacht”. Een Brussels verblijf zou afgeleid kunnen worden uit de toevoeging “van Brussel” die hij krijgt in het contract dat hij in 1589 met de stad Leiden sluit, een Antwerps verblijf is wel afgeleid van de aanduiding “komende van Antwerpen” die zijn zoon Jaques in 1589 in Leeuwarden opgeeft en het gegeven dat zijn andere zoon Michiel in Leiden een uit Antwerpen afkomstige vrouw trouwt. Wellicht is een verblijf in Antwerpen in de jaren 1580 nog het beste te verantwoorden. Antwerpse bronnen zwijgen er echter over.
  
Sebastiaans zoon Michiel wordt in 1583 in Utrecht burger, maar trouwt in 1586 in Leiden, terwijl Sebastiaan in 1589 in Leiden versteker van de trommel van het klokkenspel op het stadhuis wordt.[44] Deze gegevens wijzen mijns inziens op een vestiging in Leiden in de jaren 1580.[45] Sebastiaan had een vijfjarig contract met de stad Leiden, dat dus in 1594 afliep.[46] Daarna verdiende hij er zijn brood als citermaker.[47] Het laatste levensteken in Leiden dateert van 1599 en dat suggereert dat hij rond 1600 in Leiden is overleden; het wachten is nog op een gedocumenteerde bevestiging daarvan.[48]

 

Michiel Vredeman

Blijkens de Leidse huwelijksacte van 1586 was Michiel in Mechelen geboren, terwijl het geboortejaar 1564 kan worden afgeleid uit zijn leeftijd van 28 jaren zoals die in 1592 wordt opgegeven.[49] Zijn bruid, Tanneken Pietersdochter, kwam uit Antwerpen, maar woonde kennelijk al in Leiden. Michiel Vredeman en zijn vrouw Tanneken bleven verder in Utrecht wonen. Michiel overleed er in 1629, zijn vrouw in 1638.[50]
   In 1592 werd Michiel Vredeman in Utrecht vermeld als “instrumentmaker so fiolen als cithers”.[51] Er zijn geen redenen om aan te nemen dat hij zijn leven niet verder als musicus en muziekinstrumentenmaker in Utrecht heeft doorgebracht. Het woordje “fiolen” heeft vermoedelijk eerder op viola da gamba’s betrekking dan op wat wij viool noemen; dit laatste instrument was vóór 1600 niet of nauwelijks bekend in de Nederlanden.
   Michiel Vredeman was de componist van een bundel muziek onder de curieuze titel Der violen cyther met vyf snaren, een nieuwe soorte melodieuse inventie, twe naturen hebbende, vier parthyen spelende, licht te leeren, half violens, half cyther, zynen naem metbrengende, om alderley musicke te speelen, sonder een note van de musick te verstaan, so wel voor die violens, als voor die cyther, ettelicken musickstucken opgesett, ende in tablatuer gebracht. Helaas is deze bundel, uitgegeven in 1612 in Arnhem door Jan Jansz, uitsluitend uit bibliografische vermeldingen bekend.
[52] Bewaard gebleven exemplaren zijn niet bekend. De titel suggereert dat de muziek in de bundel was geschreven voor een nieuw soort instrument dat eigenschappen van de viola da gamba en de citer combineerde: bijvoorbeeld een wat groter instrument dan de gangbare citer, met vijf snarenkoren. Daarmee kan men dan complete bewerkingen van vierstemmige polyfonie spelen. Door de notatie in tabulatuur was kennis van het notenschrift (behoudens de ritmische waarden) niet noodzakelijk. Deze hypothese wordt gesteund door het gegeven dat in een Leeeuwarder inventaris uit 1618 de aanwezigheid van één of twee vijfsnarige citers wordt vermeld, benevens enkele zessnarige, welke laatste expliciet aan Michiel Vredeman werden toegeschreven.[53] Vijfsnarige citers waren ongewoon, maar zessnarige niet: deze kwamen vooral in Italië en Duitsland voor.
   Dezelfde Leeuwarder inventaris uit 1618 noemt nog een publicatie van Michiel Vredeman, met de titel “Der Cyteren lusthoff”, alsmede “Le jardinet de cythère”.
[54] Deze zijn zeker niet identiek met Der violen cyther. Vermoedelijk gaat het eerder om een aparte bundel met citermuziek, die verschenen is in parallelle oplagen met Nederlandse en Franse titelbladzijden. Dergelijke parallelpublicaties kwamen wel vaker voor.[55] In de titel valt overigens de analogie op met de verzameling van blokfluitmuziek door Jacob van Eyck die enkele decennia later (1646, 1648) in Utrecht verscheen onder de titel Der fluyten lust-hof. De titels “Der Cyteren Lusthoff” en “Le jardinet de cythère” kunnen worden beschouwd als vertalingen van de eerder gebruikte Latijnse titel “Hortulus cytharae”.

 

Jaques Vredeman

Michiel Vredeman noemde zich na zijn Mechelse periode nergens meer “De Vries” en datzelfde geldt voor Jaques Vredeman, de laatste Vredeman die hier zal worden behandeld.[56] Niets bevestigt concreet zijn Mechelse geboorte of het feit dat hij een zoon is van Sebastiaan Vredeman (of eventueel van Hans Vredeman de Vries), maar de circumstantial evidence suggereert sterk dat Sebastiaan zijn vader was. Vóór deze aanname pleit het gegeven dat hij dan kan worden geïdentificeerd met de Mechelse koorknaap Jacus Vreedman, die van 1575 tot 1577 in de Sint-Romboutskerk dienst deed.[57] Te dien tijde was Hans Vredeman al lang niet meer in Mechelen gevestigd. Ook komen we instrumenten en publicaties van Michiel tegen in Leeuwarden, hetgeen toch wel in heel sterke mate een relatie tussen Michiel en Jaques suggereert. Eveneens vóór Sebastiaan als vader pleit het muzikale beroep van Jaques. Tenslotte zal Jaques’ zoon Jacob weer het beroep van citermaker kiezen.
  
Vóór een eventueel vaderschap van Hans zou het gegeven pleiten dat Jaques vóór zijn Leeuwarder tijd kennelijk in Antwerpen verbleef. Maar ertegen pleit vooral dat alle biografische documenten rond Hans Vredeman zwijgen over een eventuele oudste zoon die uit zijn eerste huwelijk, met Joanna van Muysene, zou zijn geboren. Met name het ontbreken van de naam van Jaques Vredeman in de stukken rond de erfenis van Hans Vredeman de Vries is veelzeggend.[58]
   Een Leeuwarder acte uit 1616 noemt Jaques 57 jaar oud, hetgeen zijn geboortejaar op 1558 of 1559 stelt.[59] In 1589 wordt hij burger van Leeuwarden. Jaques Vredeman was dus de enige van zijn familie die naar de vermoedelijke plaats van herkomst van de familie, de geboorteplaats van Hans Vredeman de Vries, terugkeerde. Hij assimileerde in korte tijd volledig in Leeuwarden. Hij werd er leider van het plaatselijke collegium musicum, muziekleraar aan de Latijnse school en voorzanger in de Jacobijnerkerk. Geen wonder dat hij zich op de titelbladzijden van zijn latere publicaties “Muziekmeester der stad Leeuwarden” noemde.
   Jaques Vredeman was gehuwd met Maycke Gerritsdr en was vader van twee zoons: Gerrit en Jacob (Junior). De oudste zoon werd glasschilder, de jongste citermaker.
[60] Zij bleven in Leeuwarden.
   Vier publicaties, gespreid over bijna twintig jaar, van 1602 tot 1621, vatten het bewaard gebleven compositorisch en muziektheoretisch werk van Jaques Vredeman samen. De eerste heeft de titel Musica miscella, cioè Mescolanza di madrigali, canzoni, e villanelle in lingua frisica à quattro e cinque voci en is in 1602 door Julius van den Rade in Franeker uitgegeven.
[61] Het is een bundel met madrigalen op Italiaanse teksten, chansons op Franse teksten en — wat bijzonder is — villanellen op Friese teksten. Op de titelbladzijde noemt Vredeman zich “Maestro del Collegio Musico della famosa città”, terwijl de bundel opgedragen is aan datzelfde college.
   Vijf vierstemmige stukken van Jaques Vredeman — vier op Nederlandse, één op Franse tekst — staan in een verzamelbundel die in 1608 in Amsterdam verscheen onder de titel Livre septième des chansons vulgaires de diverses auteurs a quatre parties, convenables et utiles à la jeunesse. Uitgever was Cornelis Claesz in Amsterdam.
[62] Van deze bundel zijn Contratenor, Tenor en Bassus bewaard gebleven; de Superius is verloren gegaan.
 

Titelbladzijde van de Musica miscella van Jaques Vredeman (Franeker, 1602)Tien jaar na het Livre septième verscheen een inleiding tot de muziektheorie, door Vredeman geschreven, onder de titel Isagoge musicae, dat is Corte, perfecte en grondighe instructie van de principale musijcke en uitgegeven in Leeuwarden door Abraham van den Rade (1618).[63]

Tenslotte was Jaques Vredeman als muzikaal redacteur betrokken bij de publicatie van het liedboek De Friesche lust-hof van Jan Janszoon Starter, dat in 1621 in Amsterdam bij Dirck Pieterszoon Voscuyl het licht zag.[64] Vredeman verzorgde de melodienotaties bij een groot aantal liederen.[65] Meestal gaat het om gangbare melodieën, maar in een enkel geval zijn er verder onbekende melodieën zonder wijsaanduing, die dus wel van de hand van Vredeman zouden kunnen zijn. Zekerheid is hier niet te geven.

 Een Leeuwarder inventaris uit de eerste helft van de 17e eeuw vermeldt nog enkele werken van Vredeman, zeker of vermoedelijk in handschrift: “Villotte alla Napolitana a 4 voci geschreven” en “Brulofslieden in bont papier met 4en”.[66] Deze werken zijn thans geheel onbekend.
   
Helaas geven de gedrukte werken van Vredeman, voorzover bewaard, geen enkele aanwijzing prijs met betrekking tot zijn muzikale opvoeding of achtergrond, noch in de muziek, noch in de omringende teksten.

De meerstemmige composities volgen de stijl van de tijd, de muziektheorie in de Isagoge musice biedt uitsluitend algemeen verspreide inzichten. Wel bevat de Isagoge musicae aan het einde een driestemmige proportiecanon met een tekst die naar zijn eigen naam, Vredeman = vredestichter, verwijst:

 

Soeckt de vrede, en die nae jaecht,

Godt is mede, die sulcx behaecht.

Den vromen hy de vrede goet,

Verconden sal alles met overvloet.

 

De regels zijn een parafrase op een fragment uit Psalm 34 (vers 15b), dat in de berijming van Petrus Dathenus de tweede helft van de zevende strofe vormt en als volgt luidt:

 

Soeckt den vreed’ en die oock na-jaeght,

Want Godt soeckt die, ende hy vraeght

Nae hen die steets doen goet.

 

Daarmee blijft de relatie tussen Jaques Vredeman en de andere Vredemans nog steeds hypothetisch van aard, maar eraan twijfelen is moeilijk. De sterkste aanwijzing dat hij gerelateerd is aan bijvoorbeeld Michiel Vredeman is de aanwezigheid van werken van de laatste in Leeuwarden. De zeldzaamheid van de naam Vredeman is een tweede indicatie. Het lijkt welhaast ondenkbaar dat het toeval is dat de Vredeman die Leeuwarden verlaat en de Vredeman die erheen gaat niet zijn gerelateerd. En tenslotte zijn er nog de beroepen van zijn twee zoons: Michiel glasschilder zoals zijn oudoom en Jacob citermaker zoals zijn oom en grootvader.
   
Van de geponeerde relaties tussen Hans, Sebastiaan, Michiel en Jaques Vredeman is er daarom maar één direct documentair onderbouwd, namelijk het gegeven dat Sebastiaan de vader van Michiel was. Het overige is voorlopig nog hypothese, hoe aannemelijk ook.

 

Musici en kunstenaars

Tot slot moet er nog worden teruggekomen op de relatie tussen de muziek en de beeldende kunsten zoals die in de families met kunstenaars van beide soorten wordt gelegd. Al zijn er meerdere voorbeelden van deze relatie, uiteraard vallen deze numeriek in het niet bij de talloze families met meerdere musici of de even talloze families met meerdere beeldende kunstenaars.[67] In het algemeen waren in vroeger tijden de ambachten zeer aan families gebonden. Los van eventuele erfelijke aanleg kan men denken aan de invloed van vroegtijdige opleiding in het beroep van de vader of andere familieleden, de aanwezigheid van instrumenten en materiaal, en — misschien wel het belangrijkste — de geplaveide toegang tot het netwerk van beroepsbeoefenaren en omringende personen.

De genoemde factoren voor de persistentie van beroepen binnen families gaan niet echt op voor muziek en de beeldende kunsten in onderlinge relatie. Een schilder kan een musicus niet opleiden en andersom kan het ook niet. Schildersmaterialen zijn bij het musiceren niet bruikbaar en muziekinstrumenten niet bij het schilderen. Aan musici verwante schilders gebruiken muzikale motieven niet vaker dan niet aan musici verwante schilders.[68] Dat er niettemin families worden aangetroffen waarin beide vormen van kunst, of misschien liever van ambacht, worden aangetroffen, heeft dan misschien meer te maken met de sociale laag waaruit deze meesters voortkwamen en wellicht ook uit de gemeenschappelijke opdrachtgevers, zoals steden, hoven, en andere instellingen. De tot nog toe niet geslaagde pogingen de muzikale Vredemans documentair te verbinden met de Vredemans uit de beeldende kunsten illustreren daarom toch de afstand die tussen beide werelden moet hebben bestaan.


 

* Dit artikel is een uitwerking van een voordracht, gehouden op 28 augustus 2003 in Leeuwarden tijdens het door de Werkgroep Zeventiende Eeuw en de Fryske Akademy georganiseerde congres over “Friese Cultuur in de Eeuw van Gysbert Japics”. De huidige redactie heeft zeer geprofiteerd van de opmerkingen en aanwijzingen van Dr. Bernard Smilde (Leeuwarden) naar aanleiding van eerdere versies van de tekst.

[1] Zie B. Van den Sigtenhorst Meyer, Jan Sweelinck en zijn instrumentale muziek (Den Haag, 1934), p. 27. K. Bauch, “Beiträge zum Werk der Vorläufer Rembrandts V: Gerrit Pietersz. Swelinck, der Lehrer Lastmans”, Oud-Holland, 55 (1938), p. 254-265, noemt Jan Pieterszoon Sweelinck (p. 263), vooral in verband met het portret dat Gerrit van zijn broer heeft vervaardigd. P.J.J. van Thiel, “Een vroeg schilderij van Gerrit Pietersz. Swelinck”, Oud-Holland, 78 (1963), p. 67-70, noemt de musicus niet. In deze en de direct volgende voetnoten zijn verwijzingen opgenomen naar besprekingen van de desbetreffende schilders in de muziekwetenschappelijke literatuur en van kunsthistorische literatuur met betrekking tot de schilder waarin de musicus al of niet wordt genoemd.

[2] Zie R. Verhagen, Sybrandus van Noord, Organist van Amsterdam en Haarlem 1659-1705 (Amsterdam, 1989), p. 29. De kunsthistorische literatuur over Joan van Noordt zwijgt volledig over de muzikale familieleden: C. Hofstede de Groot, “Joan van Noordt”, Oud-Holland, 10 (1892), p. 210-218; A. Staring, “Weinig bekende portrettisten, III: Joannes van Noordt”, Oud-Holland, 61 (1946), p. 73-81; P. Schatborn, “Tekeningen van Joan van Noordt”, Bulletin van het Rijksmuseum, 27 (1979), 118-128.

[3] Zie H. van Nieuwkoop, Haarlemse orgelkunst van 1400 to heden: Orgels, organisten en orgelgebruik in de Grote of St.-Bavokerk te Haarlem (Utrecht, 1988), p. 375, 381; E. Trautscholdt, “Beiträge zu Cornelis Dusart”, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek, 17 (1966), p. 171-200, zwijgt over de muzikale Dusarts.

[4] Zie J.A.F. Doove, “Van Rhynsburch X Steen = De Voys: Familielaties tussen drie Leidse geslachten”, Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en Omstreken, 60 (1968), p. 39-57.

[5] G. Van Doorslaer, ”De toonkunstenaars der familie Vredeman”, Bulletin de l’Académie Royale d’Archéologie de Belgique, (1919-20), p. 29-43.

[6] G. Van Doorslaer, “Jean van Turnhout, maître de chapelle à Malines et à Bruxelles (1545?-après 1618)”, Musica Sacra, 42 (1935), p. 218-248 (in het bijzonder 238-239).

[7] Nederlandse en Vlaamse musicologische publicaties over de Vredemans zijn G. Spiessens. “Vredeman, Sebastiaan”, Nationaal Biografische Woordenboek 2 (Brussel, 1966) p. 925-929; M.A. Vente, “Vredeman de Vries”, M.G.G.1, 14 (1968), kol. 36-37; A. Annegarn, Floris en Cornelis Schuyt: Muziek in Leiden van de vijftiende tot het begin van de zeventiende eeuw (Amsterdam, 1973), p. 47-49.

[8] Friese publicaties over de Vredemans zijn R. Visscher, “Iets over het muziekleven te Leeuwarden in het begin van de 17e eeuw”, De Vrije Friesch, (1928 [de aflevering verscheen in 1925]), p. 17-33; haar artikelen over Gerrit, Jaques, Michiel en Sebastiaen Vredeman en Jan of Hans, Paul en Salomon Vredeman de Vries in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek 7 (1927), p. 1290-1294; B. Smilde, “Jaques Vredeman de Vries en zyn tiid”, in Muzyk yn Fryslân (Leeuwarden, 1996), p. 20-29.

[9] De biografische gegevens zijn in hoofdzaak ontleend aan H. Borggrefe, “Hans Vredeman de Vries 1526-1609”, in: Tussen stadspaleizen en luchtkastelen: Hans Vredeman de Vries en de Renaissance, redactie H. Borggrefe, Th. Fuesenig en B. Uppenkamp (Gent - Amsterdam, 2002; tevens catalogus bij de tentoonstelling van 15 september tot 8 december 2002 in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen), p. 15-38. De betreffende tentoonstelling liep van 26 mei tot 25 augustus 2002 in het Weser-Renaissance Museum Schloß Brake bij Lemgo en ging daar vergezeld van de oorspronkelijke Duitstalige catalogus Hans Vredeman de Vries und die Renaissance im Norden, redactie H. Borggrefe, V. Lüpkes en P. Huvene (München, 2002).

[10] A. Schillings, Matricule de l’Université de Louvain, IV: Février 1528 - Février 1569 (Brussel, 1961), p. 305, nr. 135. Inschrijving op 1 juli 1545. Wij zouden wensen dat de inschrijving was op naam van ‘Joannes Frisius, Leovariensis’, maar wellicht is de verwisseling van de twee geografische aanduidingen het gevolg van de naam van de twee Friezen die zich tegelijk met hem inschreven: “Sixtus Snekensis, Frisius” en “Jarichus Cyprianus, Frisius”. In deze periode schreven zich relatief veel Friezen in als student in Leuven, onder meer Hessel Feysma op 5 juli en Doecke Hettes van Hemmema (1527-1570) op 11 juli 1545.

[11] Zie behoudens het eerdergenoemde overzichtswerk bijvoorbeeld (in teruglopende chronologie): De wereld is een tuin: Hans Vredeman de Vries en de tuinkunst van de Renaissance, redactie P. Fuhring (Gent - Amsterdam 2002); P.A. Zimmermann, Die «Architectura» von Hans Vredeman de Vries: Entwicklung der Renaissance-Architektur in Mitteleuropa (München - Berlin 2002); H. Mielke, Hans Vredeman de Vries: Verzeichnis der Stichwerke und Beschreibung seines Stils sowie Beiträge zum Werk Gerard Groennings (Dissertatie Berlijn 1967); F. Blockmans, “Een krijgstekening, een muurschildering en en een schilderij van Hans Vredeman de Vries te Antwerpen (1577-1586)”, Antwerpen, 8 (1962), p. 20-42; C.H. Peters, “Hans Vredeman de Vries: Mededelingen omtrent het leven en de werken van dezen Nederlanschen kunstenaar”, Bouwkundig Weekblad (1895), p. 3-31.

[12] In Tussen stadspaleizen en luchtkastelen, p. 280, wordt kort op de verwantschap tussen de artistieke en de muzikale Vredemans ingegaan, nadat die op p. 15 al is genoemd.

[13] Het lied is gepubliceerd in M. van Hamont, Refreynen en liedekens van diversche rethoriciens wt Brabant,Vlaenderen, Hollant ende Zeelant (Brussel, 1563). Tekst ook in Tussen stadspaleizen en luchtkastelen, p. 31, noot 28.

[14] Zie Tussen stadspaleizen en luchtkastelen, Cat. nr. 46, p. 224-225, afbeelding op p. 227.

[15] Afgebeeld in Zimmermann, Die «Architectura» von Hans Vredeman de Vries, p. 62-65, en Tussen stadspaleizen en luchtkastelen, Cat. nr. 136, p. 297.

[16] C. van Mander, Het schilder-boeck (Haarlem, 1604), fol. 265v-267r.

[17] L. Koska, “Vries, Hans Vredeman de”, in U. Thiema en E. Becker (ed.), Allgemeines Künstlerlexikon, 34 (Leipzig 1940), p. 575-579.

[18] Om privacy-redenen worden geen verder details gegeven.

[19] Om privacy-redenen worden geen verder details gegeven.

[20] Zie www.paarden.info/namenlijst.asp?letter=v (geraadpleegd 8 december 2004).

[21] RISM A I V 2566, B I 1568-24. Een gedetailleerde beschrijving van de oorspronkelijke uitgave (waarvan slechts één exemplaar is bewaardgebleven, in de Österreichische Nationalbibliotheek in Wenen), is te vinden in H. Vanhulst, Catalogue des Éditions de musique publiées à Louvain par Pieere Phalèse et ses fils 1545-1578 (Brussel, 1990), nr. 124a, p. 134-136. Er moet een neveneditie hebben bestaan met Nederlandse titelbladzijde en wellicht ook Nederlands voorwerk; zie ibid., nr. 124b, p. 137. Een behoorlijk aantal stukken uit Vreedmans Nova longeque elegantissima cythara ludenda carmina zijn door de uitgever overgenomen in het enkele jaren later verschenen Hortulus cytharae (1570; Vanhulst, Catalogue, nr. 148). Moderne uitgave (tabulatuur en transcriptie op één notenbalk): S. Vreedman, Musik für die Cister 1568, Teil I-II, ed. H. Mönkemeyer (Hofheim am Taunus, 1980-81; “Die Tabulatur”, 28-29). Aan deze bundel is ook nog de volgende licentiaatsverhandeling gewijd: M.-S. Eeckman, Un recueil de pièces pour cistre de S. Vreedman (1568): Étude critique et transcription (Université Libre de Bruxelles, 1978). Zie ook H. Vanhulst, “Édition comparative des instructions pour le luth, le cistre et la guitare publiées à Louvain par Pierre Phalèse (1545-1570)”, Belgisch Tijschrift voor Muziekwetenschap, XXXIV-XXXV (1980-81), p. 81-105.

[22] RISM A I V 2567, B I 1569-37. Ook van het Liber secundus is slechts één exemplaar bewaard gebleven, in Wenen. Zie de beschrijving in Vanhulst, Catalogue, nr. 138, p. 149-153. Ook uit Secundus liber zijn stukken overgenomen in de Hortulus cytharae van 1570. Moderne uitgave (tabulatuur en transcriptie op één notenbalk): S. Vreedman, Musik für die Cister 1569, Teil III-IV, ed. H. Mönkemeyer (Hofheim am Taunus, 2001; “Die Tabulatur” 30-31).

[23] Vanhulst, Catalogue, nr. 109, p. 118-120. Het eerste deel bevat citerbewerkingen van de stukken voor drie luiten die te vinden waren in Giovanni Pacolini’s Longe elegantissima [...] tribus testudinibus ludenda carmina (Phalesius, 1564; Vanhulst, Catalogue, nr. 108, p. 116-118). Phalesius’ Hortulus cytharae uit 1570 bevat ook stukken uit Viaera’s bundel van 1564.

[24] De naam ‘Viaera’ kon niet worden geduid als de Latijnse vorm van een Friese (of Nederlandse) achternaam. De naam doet nog het meeste denken aan de Portugese achternaam Vieira.

[25] Afgedrukt in Vanhulst, Catalogue, Document 13, p. 361-362.

[26] Het gedicht is herhaald in het latere Luculentum theatrum musicum (1568) en afgedrukt als Document 12b in Vanhulst, Catalogue, p. 361.

[27] Van Doorslaer, “De toonkunstenaars”, p. 7.

[28] L. Burchard, artikelen “Crabbe” in U. Thieme (ed.), Allgemeines Lexikon der bildenden Künstler, 8 (Leipzig, 1913), p. 41.

[29] Van Doorslaer, “De toonkunstenaars”, p. 5.

[30] Van Doorslaer, “De toonkunstenaars”, p. 7

[31] Van Doorslaer, “De toonkunstenaars”, p. 5.

[32] Bijvoorbeeld Spiessens, “Vredeman”, en Annegarn, Floris en Cornelis Schuyt, p. 47. Op p. 95 wordt Sebastiaan een zoon van Jaques genoemd, maar dit is zeker niet meer dan een vergissing van de anders zo nauwkeurige Annegarn

[33] Zie Vente, “Vredeman”, en H.M. Brown, “Vredeman”, New Grove Dictionary1 20 (London, 1980), p. 85-86, en de herziening daarvan door K. Forney. New Grove Dictionary2 26 (London 2001), p. 906. In Tussen stadspaleizen en luchtkastelen, p. 280 wordt voor Michiel 1562 en voor Jaques 1564 als geboortejaar opgegeven.

[34] Visscher, “Iets over het muziekleven”.

[35] Visscher, “Iets over het muziekleven”, p. 17, noot 2.

[36] A. Komter-Kuypers, Muzyk yn Fryslan oant 1800 (Bolsward, 1935), p. 32.

[37] Smilde, “Jaques Vredeman de Vries”, in het bijzonder p. 21.

[38] Visscher, “Vredeman”.

[39] Tijdens de voordracht die schrijver deze op 28 augustus 2003 in Leeuwarden hield over deze materie werd er nog van uitgegaan dat Hans en Sebastiaan Vreedman broers waren. Deze relatie wordt ook verondersteld in Tussen stadspaleizen en luchtkastelen, p. 15 en 280, zonder verdere toelichting, vermoedelijk op grond van gesprekken die de samenstellers van dit werk in 2000 hadden met schrijver dezes.

[40] Plaatsen van afkomst worden vermeld bijvoorbeeld voor Italiaanse luitisten als “Francsicus Mediolanus” (= Francesco da Milano; Vanhulst, Catalogue, p. 8) en “Joannes Maria Cremens” (= Giovanni Maria da Crema; ibid., p. 14). Soms wordt de werkkring met plaats genoemd, zoals in “Authore D. ac M. Gerardo à Turnhout, Insignis Ecclesiae Beatae Mariae Antverpiensis Phonasco”. Combinatie van geboorteplaats en werkkring vindt men in Phalesius’ uitgave van de Sacrarum ac aliarum cantionum [...] Liber quintus van Pierre de Manchicourt, geboortig uit Béthune en werkzaam in Doornik: “A D. Magistro Petro Manchicurtio Betunio Insignis Ecclesiae Tornacensis Phonasco” (ibid., p. 33).

[41] Van Doorslaer, “Jean van Turnhout”, p. 238-239.

[42] E. van Autenboer, Volksfeesten en rederijkers te Mechelen (1400-1600) (Gent, 1962), p. 167 en 168.

[43] van Autenboer, Volksfeesten, p. 187-190.

[44] Van Doorslaer, “De toonkunstenaars”, p. 17-19. De Leidse periode van Sebastiaan Vreedman is gedetailleerd behandeld in Annegarn, Floris en Cornelis Schuyt, p. 47-49.

[45] Een universitaire inschrijving van Sebastiaan kon niet worden gevonden, noch van enige andere Vredeman, in Leiden, Utrecht, Franeker, Groningen en Leuven (behoudens eventueel Hans in 1545).

[46] Annegarn, Floris en Cornelis Schuyt, p. 48.

[47] Annegarn, Floris en Cornelis Schuyt, p. 49.

[48] Ibid.

[49] Van Doorslaer, “De toonkunstenaars”, p. 9.

[50] Van Doorslaer, “De toonkunstenaars”, p. 10.

[51] Van Doorslaer, “De toonkunstenaars”, p. 9.

[52] Zie A. Goovaerts, Histoire et bibliographie de la typographie musicale dans les Pays-Bas (Antwerpen 1881), nr. 465, p. 310 (met verschijningsjaar 1612) en opnieuw nr. 483, p. 314-315 (met verschijningsjaar 1614). Goovaerts beschouwde de uitgave met 1614 als een tweede druk, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat een zo ongewone bundel zo spoedig werd herdrukt. Vermoedelijk is er een vergissing in het spel en dan neemt men in de muziekbibliografie meestal 1612 aan.

[53] Visscher, “Iets over het muziekleven”, p. 20. Het gaat om de bezittingen van Pibo Gualtheri.

[54] Zie Visscher, “Iets over het muziekleven”, p. 20-22, en (met exacte transcriptie) J.H. Brouwer, Jan Jansz. Starter (Assen, 1940), Bijlage 434, p. 142-143.

[55] De bekendste voorbeelden zijn natuurlijk de luitboeken van Nicolas Vallet die verschenen in paralelle oplagen met Nederlandse, Franse en Latijnse titels (Het geheymenisse der Zang-ghodinnen, Le secret des Muses, Secretum musarum). Maar van Sebastiaan Vreedmans eerste citerboek moet ook een oplage met Nederlandse titel hebben bestaan (zie Vanhulst, Catalogue, nr. 124b, p. 137), terwijl verschillende gravureverzamelingen van Hans Vredeman de Vries ook met voorwerk in verschillende talen zijn verschenen, waaronder de Perspective, id est, Celeberrima ars inspicientis aut transpicientis oculorum aciei / Perspective, dat is, De hoogh-geroemde conste eens schijnende in oft door-siende ooghen-ghesichts (Leiden, Hendrik Hondius, 1599).

[56] De meest uitvoerige levensschets van Jaques Vredeman tot nog toe is die van Smilde, “Jacques Vredeman de Vries”, al moet men bezwaar maken tegen de toevoeging “de Vries” in de titel. Verder Visscher, “Iets over het muziekleven”, en H. Algra, “Jacques Vredeman en het Collegium Musicorum te Leeuwarden in de eerste jaren van de 17e eeuw”, Spiegel Historiael, 22 (1987), p. 179-184.

[57] Van Doorslaer, “De toonkunstenaars”, p. 10.

[58] Tussen stadspaleizen en luchtkastelen, p. 30 en 38.

[59] Visscher, “Iets over het muziekleven”, p. 17.

[60] Smilde, “Jaques Vredeman de Vries”, p. 21

[61] RISM V 2765. Helaas zijn niet alle stemmen bewaard gebleven: het Alto-stemboek ontbreekt. Toch wordt door Bernard Smilde een heruitgave voorbereid die zal worden gepubliceerd door de Fryske Akademy in samenwerking met de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis. Het bewaard gebleven materiaal maakt het voldoende mogelijk het ontbrekende te reconstrueren.

[62] RISM B I 1608-11. Zie H. Vanhulst, “Un succès de l’édition musicale: Le «Septièsme livre des chansons à quatre parties» (1650-1661/3)”, Belgisch Tijdschrift voor Muziekwetenschap, 32-33 (1978-1979), p. 97-120, en R. Rasch, “The Editors of the «Livre Septième»”, in: E. Schreurs & H. Vanhulst, Henri, Music Fragments and Manuscripts in the Low Countries – Alta Capella – Music Printing in Antwerp and Europe in the 16th Century (Leuven, 1997), p. 279-306.

[63] RISM B VI, p. 872.

[64] Facsimile-uitgave: Amsterdam, 1974. Moderne tekstuitgave: J.J. Starter, Friesche lust-hof, Deel I: Teksten, uitgegeven naar de eerste druk (1621) en van inleiding en aantekeningen voorzien door J.H. Brouwer (Zwolle, 1966).

[65] Zie M. Veldhuyzen, De melodieën bij Starters «Friesche lust-hof» (Zwolle, 1967).

[66] Het gaat om de inventaris van het Leeuwarder collegium musicum in 1640. Zie Visscher, “Iets over het muziekleven”, p. 31, 32.

[67] Musici waren overigens ook regelmatig verwant aan muziekinstrumentenmakers, dansmeesters, dansers, en toneelspelers.

[68] Binnen het werk van Hans Vredeman de Vries worden muziekinstrumenten afgebeeld op de pentekening met Lazarus bij het paleis van de rijke man (Tussen stadspaleizen en luchtkastelen, Cat. nr. 116, p. 280-281: een gezelschap van vier muzikanten die pommers bespelen, waaronder een baspommer), op een schilderij met hetzelfde thema (Cat. nr. 117, p. 280-281: een luitspeler), op het schilderij Liefdestuin met galante scènes en muzikanten (Cat. nr. 175, p. 338: zang, dwarsfluit, gamba, positief, zang en tweemaal luit), de gravure die de aanbidding van het beeld van Nebucadnezar voorstelt (Cat. nr. 131, p. 290 en 293: twee hoorns met een grote enkele winding, talrijke rechte trompetten en ook één baspommer; de gravure is vervaardigd voor de Thesaurus sacrarum historiarum veteris Testamenti, in 1579 door Gerard de Jode uitgegeven) en de tekening waarnaar de gravure van Het alchemistisch laboratorium van Henrich Khunrath is vervaardigd (Cat. nr. 185, p. 345-346: luit, viool, fluit en zangpartij op een een tafel gelegen). Ook enkele schilderijen van Paulus Vredeman de Vries laten muziekinstrumenten zien (Cat. nrs. 51 en 52, p. 232-233).