In memoriam Jan Veninga (1931-2007)

(Met toestemming overgenomen uit de Friese Orgelkrant 2008)

 

Op 7 november 2007 overleed in Leeuwarden, 76 jaar oud, de bekende Friese musicus Jan Veninga.

Jan Veninga werd geboren in Oosthem en studeerde in de jaren ’50 orgel, koordirectie en schoolmuziek aan het Utrechts Conservatorium.

Vanaf de jaren ’60 heeft hij op die drie vakgebieden een belangrijke rol gespeeld in het Friese muziekleven. Als schoolmusicus was hij actief op de toenmalige Kweekschool Mariënburg, op het Lienward College en op de Leeuwarder Muziekpedagogische Academie. Als dirigent leidde hij o.m. de Leeuwarder Cantorij, de Leeuwarder Bach Vereniging en de Dokkumer Cantorij. Organist was hij achtereenvolgens in de Bolswarder Broerenkerk, de Leeuwarder Opstandingskerk en de hervormde kerk van Reduzum.

Toen hij enige jaren geleden voor de Friese Orgelkrant werd geïnterviewd, kwam een aantal van deze activiteiten ter sprake. Door zijn grote bescheidenheid kwam toen maar nauwelijks aan het licht hoe groot zijn betekenis is geweest.

Kenmerkend voor Veninga was een grote openheid voor wat er zich in de muzikale wereld afspeelde. Nieuwsgierig nam hij van van alles kennis, woog het, en haalde het naar zijn Opstandingskerk als het kwaliteit had, en daarvoor had hij een feilloze intuïtie.

Zo werd in 1966 in die kerk onder zijn advies een nieuw tweeklaviers orgel geplaatst, gebouwd door de firma Bakker & Timmenga. Nog maar kort tevoren was die firma met nieuwe eigenaars aan een nieuw leven begonnen. Tot 1966 waren alleen een paar éénklaviers orgels gebouwd. Veninga herkende de kwaliteit ervan en durfde het waagstuk van een groter instrument aan. Zijn vertrouwen werd niet beschaamd: het instrument mag nog gelden als een neo-barok orgel van uitzonderlijke klasse.

Rond 1970 sloeg hij als organist en koordirigent nieuwe wegen in door zich de ideeën van de historische uitvoeringspraktijk eigen te maken. Nú is dat een vanzelfsprekend onderdeel van het muzikale vakmanschap, toen was er moed voor nodig en betekende het roeien tegen de stroom van het muzikale establishment in.

Toen in diezelfde tijd de Grote Kerk in Leeuwarden zijn deuren sloot wegens restauratie, kwam in de Opstandingskerk onder Veninga’s leiding een serie kerkconcerten tot bloei waarin vooraanstaande koren en organisten zich lieten horen en waar hij zelf vooral als dirigent van de Leeuwarder Cantorij bewees hoe de ideeën van de historiserende uitvoeringspraktijk zich laten vertalen in aanstekelijk musiceren.

Aan het eind van de jaren ’70 kon de Grote Kerk weer in gebruik genomen worden, eerst met alleen een koororgel, al gauw met het herboren Müller-orgel. Het betekende dat aan de belangrijke rol van de Opstandingskerk als centrum van de orgel- en kerkmuziekcultuur een einde kwam, iets wat Veninga zeker met gemengde gevoelens en niet zonder moeite heeft geaccepteerd. Toen hij daar eenmaal in geslaagd was, bleek zijn engagement toch zo sterk dat hij met een nieuw initiatief kwam: een serie lunchpauzeconcerten in de Grote Kerk. Nu, 30 jaar later, is dat een niet meer weg te denken facet van de Leeuwarder orgelcultuur.

Zo’n tien jaar geleden liepen de arbeidzame jaren van zijn leven langzamerhand ten einde. Doordat zijn liefde voor de muziek authentiek was, veranderde dat niets aan zijn betrokkenheid. Hij genoot nu in de rol van luisteraar net zo veel als vroeger in die van uitvoerend musicus. Met grote trouw volgde hij de verrichtingen van zijn oud-leerlingen of oud-studenten. Als leraar had hij hen op een spoor gezet; twintig of dertig jaar later was hij nog steeds in hun verdere ontwikkeling geïnteresseerd.

Ik mocht zelf ervaren met hoeveel toewijding hij als orgelleraar mij enige jaren lang de weg wees. Hij deed dat met groot enthousiasme, vasthoudend en geduldig.

Leiding geven en vrijheid gunnen gingen in zijn aanpak op een natuurlijke manier samen. Ik ben hem daar dankbaar voor. 

 

Theo Jellema.