Gerrit Stulp

Het orgel is mijn orkest

 

door: Lodewijk Born
(met toestemming overgenomen uit het Friesch Dagblad, 17 november 2001)

Gerrit Stulp groeide op in Leeuwarden-Huizum. ‘Aan de andere kant van het spoor’, daar kerkte hij ook in de inmiddels gesloten Schranskerk. Op zijn zestiende werd hij als organist verbonden aan de Gereformeerde Kerk van Leeuwarden-Huizum. ,,Ik speelde voor die tijd al. Op mijn dertiende verving ik organist Willem Zonderland van de Doopsgezinde Gemeente in Leeuwarden.’’
,,Ik kom uit een muzikaal gezin. Mijn vader bespeelde alle instrumenten die je maar bedenken kon, mijn moeder viool. Enthousiast voor het instrument orgel werd ik door organist H.K.W. Frenkel. Hij speelde ’s zondags in de Gereformeerde Kerk van Rinsumageest, een dorp waar ik vaak logeerde. Thuis zongen we wekelijks bij het harmonium en ik wou maar wat graag zelf ook leren orgelspelen.’’

Op zijn elfde jaar volgt Stulp zijn eerste orgellessen bij B.J. Makkes-Van der Deijl, onderwijzer in Leeuwarden en ook organist van de gereformeerde Pelikaankerk. Na een poosje gaat hij in de leer bij George Stam, de organist van de Grote Kerk in Leeuwarden. ,,Nadat Stam vertrokken was, ging ik enige jaren later naar Piet Post toe, zijn opvolger.’’ Stulp was iemand die graag leerde. ,,Je wilt verder, je ontwikkelen.’’ In de muziek vond hij zijn passie. Na het afronden van zijn onderwijzersopleiding gaat hij naar het Conservatorium in Groningen (les van Wim van Beek) en later naar Den Haag (les van Nico van den Hooven). In 1951 begint hij officieel als organist in de Schranskerk in Leeuwarden-Huizum. Het was de periode dat in die kerk vier diensten per zondag werden gehouden. ,,Als iemand ziek werd, speelde je gewoon in ál die vier diensten.’’ Later komt ook het bespelen van het orgel van de Parkkerk er bij. Vijftien jaar lang is hij organist in Leeuwarden-Huizum. In 1966 verkast hij naar de Salvatorkerk. ,,De toenmalige dominee, Joop Rinzema, was iemand die nogal gecharmeerd was van liturgische vernieuwing. Hij vroeg mij om te solliciteren voor de functie van organist en ik ben het uiteindelijk ook geworden.’’ Van 1966-1994 is hij organist en tevens cantor van de Gereformeerde Kerk van Leeuwarden. ,,Ik was de enige betaalde kerkmusicus en was elke dag aanwezig in de Salvatorkerk. Ik was helemaal verknocht aan het Verschueren-orgel. In de loop der jaren raak je totaal vergroeid met zo’n instrument. Het was mijn werkplek waar ik inspiratie opdeed voor de compositie van nieuwe stukken, waar geoefend werd met de cantorij. De plaats waar ik leerlingen les gaf. Ik heb vele dominees en tientallen ambtsdragers zien komen en gaan. Ik bleef. Ik was er misschien wel het langst van iedereen aan het werk. Toen de kerk verkocht werd, was dat een ramp… Het is alsof iemand een stuk van je ziel wegneemt. De componist Cesar Franck zei ooit: ‘Mijn orgel is mijn orkest.’ Zo is het precies. Je kunt het door de wijze waarop je het bespeelt zo laten klinken als jij wilt. Het mooiste vind ik persoonlijk nog altijd de gemeentezang begeleiden op zondag. Via de klankkleur, de zettingen en improvisatie, kun je de teksten die gezongen worden muzikaal onderstrepen. Dat is toch heel bijzonder.’’ Na het gedwongen afscheid van de Salvatorkerk werd Stulp organist in de Koepelkerk. ,,Ook van dat orgel, een Vermeulen-orgel, ben ik gaan houden.’’


Theologie
Het inleven in wat de gemeente mooi vindt en wat niet is heel belangrijk, zo heeft hij ondervonden in zijn loopbaan als kerkmusicus. ,,Of je nu organist, cantor of kerkmusicus bent, je doet je werk ten dienste van de gemeente. Je bent geen kunstenaar die zichzelf manifesteert. De grote Bach zei: ‘Wil je een goed kerkmusicus zijn, dan moet je goed op de hoogte zijn van de theologie, en uiteraard vakman zijn’. Bach had een uitgebreide theologische bibliotheek in huis. Zijn woorden gelden nog steeds. Wil een organist goed in een gemeente functioneren, dan moet je weten wat evangelischen geloven, wat de moderne theologie inhoudt, je verdiepen in boeken van Kuitert en Den Heyer. Maar ook op de hoogte zijn van Abraham Kuyper.’’ Een gemeente is namelijk een gemęleerd luisterpubliek. ,,Sommigen luisteren naar je spel vanuit een theologisch-dogmatische beleving, anderen met een evangelisch gevoel en weer een groep op esthetisch niveau. Voor die laatste categorie moet het vooral ‘mooi’ klinken. Ik zeg: pas op, richt je nooit op één groep in de kerk, want dat gaat de rest ontevreden naar huis. Je moet élke groep iets bieden, zonder dat je je eigen artistieke gevoel geweld aan doet. Het spel moet verzorgd en verantwoord blijven.’’


Stulp is altijd organist in de Gereformeerde Kerk gebleven. ,,Ik heb die kerk zien veranderen en ik voel me thuis in de nieuwe, vrijere manier van het beleven van het geloof onder de gereformeerden. Alhoewel ik de liturgie in de Katholieke Kerk ook erg waardeer. Soms denk ik wel eens: waarom word ik niet katholiek?’’ George Stam gaf me het advies: ‘Als je moet spelen in een dienst, zorg dan dat je enkele dagen van te voren oefent.’ Dat heb ik in al die jaren gedaan. Ik wil op tijd weten welke liederen ik moet spelen. Let wel: de organist wordt er altijd op aan gekeken als het misgaat.’’ Het gaat er volgens Stulp, die ook orgelconcerten recenseert voor het Friesch Dagblad , om dat je je ,,ziel legt in het orgelspel.’’ ,,Mensen moeten voelen dat er wat gebeurt in de tekst. En je publiek voelt donders goed aan of je goed speelt of niet.’’


Naast bekend door zijn orgelspel maakte Stulp ook naam als componist. Al op zijn 21ste - in 1956 - schreef hij zijn eerste orgelwerk. ,,Het eerste stuk dat officieel uitgegeven werd was een orgelwerk in 1961.’’ Vanaf 1971 componeerde hij jaarlijks koormuziek voor de Koninklijke Christelijke Bond van Zangverenigingen. In 1972 werd voor het eerst zijn Matteüspassie uitgevoerd. Een stuk wat landelijke bekendheid kreeg. Recentelijk (1995) publiceerde hij het Koraalboek - voorspelen voor en harmonisaties van de psalmen . Binnenkort verschijnt daarvan de tiende druk. ,,Er is heel veel behoefte aan materiaal wat goed en eenvoudig te spelen is.’’ In al die jaren ontwikkelde hij op zijn vakgebied een eigen, karakteristieke stijl. Met de ogen dicht kon je horen dat Gerrit Stulp speelde. Naast al dat werk is hij ook nog dirigent. Voor vele koren in Fryslân stond hij. ,,Het is een hele lijst. Het langst was voor Christelijk Gemengde Zangvereniging Hallelujah in Deinum, veertig jaar.’’ Tegenwoordig is hij dirigent van Consortium Vocale Frisia en Christelijke Zang- en Oratoriumvereniging ‘Laus Deo’ te Dokkum.


,,Ik heb me altijd gewaardeerd gevoeld in mijn werk. Tijdens kerkdiensten klinkt na de eredienst nog altijd applaus en dat vind ik bijzonder. Ik hoop de komende jaren nog door te kunnen gaan met mijn werk. Veel spelen en meer publiceren. Niet om mijn naam vereeuwigd te zien, maar ik wil iets betekend hebben voor de ontwikkeling van de kerkmuziek. Het moet gespeeld worden, het moet gezongen worden. Tot eer van God.’’