Paulus Folkertsma
De beheerste emotionaliteit van een Friese componist

door: Bernard Smilde
(met toestemming overgenomen uit het tijdschrift Kunst en Wetenschap, 15e jrg. nr. 3 (2006)


Telkens weer ontdek je dat we maar weinig op de hoogte zijn van onze eigen componisten. Zelfs uitgesproken muziekliefhebbers, ja ook vakmensen, kennen vaak niet veel werken van Nederlandse componisten. Het is daarom goed dat er af en toe gelegenheden zijn om de schijnwerper te richten op de bescheiden musicus Paulus Folkertsma, die van 1901 tot 1972 onder ons geleefd heeft, en wiens werk de moeite waard is om er blijvend mee bezig te zijn.

Van het leven van deze bescheiden werker is eigenlijk niet eens zoveel opzienbarends te vertellen. Hij werd op 15 januari 1901 te Wommels geboren, maar het gezin waarvan hij deel uitmaakte vertrok al spoedig naar Berlikum, waar hij zijn jeugdjaren doorbracht. Zijn opleiding als onderwijzer kreeg hij te Maastricht. Hij stond korte tijd voor de klas in Leeuwarden en Sondel, maar het grootste deel van zijn leven functioneerde hij als onderwijzer aan de openbare basisschool te Aldeboarn, waar hij meer dan veertig jaar zijn taak vervulde. Hij moet daar trouwens wel een eigen invulling aan hebben gegeven, wat onder meer blijkt uit het feit dat hij graag proeven nam op het gebied van natuurkunde. Als doopsgezinde had de vredesbeweging zijn hart en was hij ook een gezworen vijand van de alcohol. Opzienbarend was wel het feit dat hij in 1956 trouwde met de jonge Weense Helga Khek. Ze kregen vier kinderen. Folkertsma overleed op 4 mei 1972 te Aldeboarn.
Van zijn opleiding is niet zo veel te zeggen. Hij kreeg vioolles te Berlikum bij meester Groenewold en zal natuurlijk op de kweekschool de zang hebben beoefend. Later heeft hij piano en harmonielessen gevolgd bij de Leeuwarder musicus Willem Zonderland (1884–1974), die pianist en organist was, en van 1919 tot 1934 het Stedelijk Orkest Leeuwarden, later Friesche Orkest Vereniging genaamd, dirigeerde. Maar als componist zal Folkertsma toch voornamelijk gevormd zijn door zelfstudie van de partituren van de grote meesters. Vooral met het contrapunt bij Bach en de harmonieën van César Franck heeft hij zich bijzonder beziggehouden. Ook als violist en altist in het Fries Kamerorkest heeft hij natuurlijk gelegenheid gehad van binnenuit literatuur te leren kennen. In ieder geval heeft hij zich voldoende vakmanschap eigen gemaakt, om ook voor orkest te kunnen schrijven.

Werken

Folkertsma had al bij zijn leven van zijn meeste werken kopieën afgestaan aan de Provinciale Bibliotheek te Leeuwarden. Op basis van de 18 mappen met instrumentale en 34 mappen met vocale muziek stelde Theo Lambooij in 1984 een catalogus samen die 77 nummers telde. Maar er bleek meer te zijn. De nasporing van Dirk Meijer en Hans Algra in het Frysk Letterkundich Museum en vooral op de zolders van mevrouw Folkertsma heeft nog meer aan het licht gebracht, zodat er nu van ruim honderd composities, klein en groot, kan worden gesproken.
Hij componeerde liederen voor zangstemmen met piano, koorwerken met en zonder begeleiding, instrumentale kamermuziek voor blazers en strijkers, orkestwerken, een declamatorium, cantates, toneelmuziek en een zangspel De Jonkerboer. Voor dit laatste leverde Ype Poortinga, op basis van een verhaal uit de Rimen en Teltsjes van de gebroeders Halbertsma, het libretto. Het beleefde series van opvoeringen in 1946, in 1950 – toen ook met radio uitzending – en in 1967.
Folkertsma schreef meest uit innerlijke aandrang, maar soms ook in opdracht. Zo ontstond in 1949 de cantate Wer binn’ de fjilden grien voor het Sneeker cantatekoor om de bevrijding van 1945 te herdenken (tekst D.A. Tamminga en Fedde Schurer). Voor de herdenking van de driehonderdste sterfdag van de Friese renaissancedichter Gysbert Japix (1603–1666) componeerde hij in 1966 Mei snare en tonge.
Folkertsma heeft met de materie geworsteld om innerlijke spanning en emotionaliteit onder beheersing te brengen. Veel van zijn werk vertoont een gaafheid door het evenwicht dat bereikt wordt tussen inventie en uitwerking. Hij weet vaak een pakkend begin te vinden, een originele inzet, maar gaat daarmee dan zeer constructief aan het werk, waardoor het geheel vaart en spanning houdt. In zijn sololiederen gaan zangstem en pianobegeleiding soms totaal hun eigen weg, maar bouwen toch gezamenlijk een artistiek geheel op.

Stijl

Het is niet eenvoudig Folkertsma’s stijl te beschrijven. Wij willen altijd zo graag de zaak in hokjes plaatsen en er etiketjes op plakken. Modern is zijn werk zeker niet te noemen. Dat wist hij zelf ook heel goed. Hij zei eens: ‘Ik ben eigenlijk wat tussen wal en schip geraakt.’ Daarmee bedoelde hij niet dat hij is blijven hangen tussen de serieuze muziek en ontspanningsmuziek, maar hij wilde er mee zeggen dat Bach, de Weense klassieken en sommige romantici hem hebben beďnvloed, maar dat de muziektaal van impressionisten en lateren hem zijn voorbij gegaan; voor de atonalen had hij zeker geen antenne.
Dat Folkertsma sterk in de traditie geworteld is, wil niet zeggen dat zijn werk niet iets eigens bevat. Dat is bijvoorbeeld duidelijk aanwezig in het ontroerende Adagio uit zijn sonate voor viool en piano in D. Ook het declamatorium op de inleiding tot De Hora’s fan Hastings (tekst van Simke Kloosterman) heeft dat. Het meest diepzinnige wat hij ooit schreef is het strijkkwartet uit 1943 In memoriam R.O. Blackhall, A.J. Sutton en K.E. Emmons, drie Canadese piloten die in 1943 waren neergeschoten. Het is een uitzonderlijk geconcentreerd werk, waarin Folkertsma al zijn harmonische vondsten en contrapuntische kunnen heeft gecombineerd en dienstbaar gemaakt aan een aangrijpende sfeerschildering. Reeds de inventie is uniek.
Zijn manier van werken is wel het beste af te lezen en te beluisteren in zijn liederen. Er is daarin grote verscheidenheid; ze hebben allemaal een eigen gezicht. Evenals bij Wolf zijn er geen twee die op elkaar lijken. Ze zijn compact gecomponeerd, tekstherhaling komt bijna niet voor. De muziek sluit zich volkomen aan bij de sfeer van de tekst, onverschillig of het liefdesliederen, natuurliederen, sfeer en stemmingsschilderingen of religieuze gezangen zijn. Ook binnen eenzelfde lied kan hij dikwijls van sfeer wisselen zonder aan de eenheid van de compositie te kort te doen. Er is steeds een hechte structuur. Een voorbeeld daarvan vind ik in het lied Jűn op tekst van Rixt. De eerste vier regels van de tekst luiden uit het Fries vertaald: ‘O, kom niet bij mij, kom nu niet! Stil ligt over ons de avond. Heeft met zijn weemoed en z’n verlangen ’t Mensenhart ingesponnen.’ De sfeer van weemoed en verlangen is in twee akkoorden heel apart tot uitdrukking gebracht: op weemoed heeft de begeleiding een grote drieklank, waartegen de zangstem de septiem aanvult. Dit septiemakkoord wordt niet opgelost, maar schuift een halve toon naar beneden, terwijl de sopraan stijgt en de terts in het nieuwe akkoord te pakken krijgt. Zo komen beide sferen tot hun recht.
Een ander middel om de spanning te verhogen is de sequens (herhaling van een motiefje, op hogere of lagere toon). Bij een minder begaafd componist kan dit een goedkoop middel zijn, maar Folkertsma gaat er heel bijzonder mee om. In hetzelfde lied dat we zopas citeerden, is een passage waarbij vier maten van de pianobegeleiding een halve toon hoger worden herhaald. Maar daarbij gaat de zangstem volstrekt z’n eigen weg, zodat daar niets herkenbaars in zit; de sequens is min of meer gecamoufleerd, maar werkt wel.
Het lied Tűzenen (tekst Simke Kloosterman) maakt gebruik van een heel scala van technische middelen, die de componist als bouwstenen hanteert: soms sombere, donkere akkoorden, dan weer een lichte, luchtige sfeer met gebroken akkoorden en ritmische beweging; daarna chromatische stijging met plotselinge verandering van toonsoort en aan het eind een gecompliceerde barvorm. Ik reken dit gedeelte tot het meest bezielde wat ooit op Friese tekst geschreven is.

Bereikbaarheid

Van Folkertsma’s werk is nog maar een klein deel gepubliceerd. Uit zijn 96 canons is een selectie gemaakt in het bundeltje Dű earst en dan ikke (Jij eerst en dan ik) met 30 canons; sommige daarvan zijn al populair geworden, vooral de achtstemmige It muzyk giet troch de buorren (De fanfare gaat door het dorp).
Van zijn sololiederen verschenen in deeledities: in 1946 Fjouwer nije lieten foar in hege stim en in 1971 als geschenk voor zijn zeventigste verjaardag ’k Sil foar dy sjonge met 28 liederen. Een paar niet al te moeilijke liederen stonden in het Lieteboek van 1948 en het Frysk Lieteboek van 1979. De bundel Sjongenderwize uit 1996 gaf nog eens 12 liedcomposities. Het duurde tot 2001 voordat de complete verzameling van alle 72 sololiederen het licht zag in Muzyk klinkt yn myn hert onder redactie van Dirk H. Meijer, Bob Pruiksma en Bernard Smilde.
Onder deze liederen zijn een paar eenvoudige, maar de meeste zijn technisch vrij pittig, zowel voor de zangstem als voor de pianobegeleiding. Soms hebben ze een grote ambitus, zijn door chromatiek en harmonische verwisseling niet eenvoudig te treffen. Zowel in de zangpartij als in de begeleiding komt polymetrik voor: verandering van tijdsindeling; soms vlak na elkaar, soms tegen elkaar twee , drie of vierdeling van de notenwaarden. In die gevallen heb je wel vakmensen nodig om ze goed te brengen.
Een paar van de eenvoudigste liederen en enkele canons staan sinds de vijfde druk gepubliceerd in het liedboekje Fryslân sjongt. Daarvan noem ik speciaal het melancholieke Skouke sűnder roer op tekst van Geart Jonkman met z’n karakteristieke tritonusdaling, die als melodische gang bij de oude polyfonisten eigenlijk verboden was.
Ook van zijn liederen voor koor zijn er enkele gepubliceerd. Zo verscheen in het fonds van de Bűn fan Kristlike Sjongkoaren yn Frysân het luchtige Famke op ’e bűthúsbank (tekst A. Deelstra) en het hymnische Węrom soesto net sjonge, myn siele? (tekst Durk Miedema)

Fries componist

Fries was Folkertsma van afkomst en aard. Hier woonde en werkte hij, voelde hij zich thuis. Met Fryslâns volk en taal wist hij zich verbonden. Dat sprak voor hem vanzelf. Hij heeft zelden op teksten uit een andere taal gecomponeerd.
Hij maakte de opbloei van de Friese literatuur sinds 1915 (de beweging van de zogenaamde Jong Friezen onder inspiratie van Douwe Kalma) mee; vooral van de lyriek zoals die in de jaren dertig van de vorige eeuw zich ontwikkelde. Dat is te zien aan de namen van de dichters en dichteressen, die hem teksten leverden en waarvan we al enkele hebben genoemd: Douwe Kalma, Simke Kloosterman, Rixt, Pieter Jelles Troelstra, Fedde Schurer, Gerben Brouwer, Piet van der Burg, Jelle Brouwer, Rintsje Sybesma, Tsjits Peanstra, Geart Jonkman, Ype Poortinga, Jan Piebnga, Jan Eisinga en enkele anderen. Voor sommige canons schreef Folkertsma zelf de tekst.
Hij koos zijn teksten met goede smaak. Hij probeert echt op te vangen wat de dichter heeft te zeggen en zijn composities zijn zo, dat je met de beste wil ter wereld onder de noten geen andere teksten kunt plaatsen. Tekst en muziek vormen samen een nieuw geheel met een eigen gezicht.
Kun je nu ook zeggen, dat het Friese muziek is geworden? Die vraag is niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Bach schreef zijn Italienische Konzert, hij componeerde Französische Suiten en Englische Suiten alsmede Deutsche Partiten, maar het blijft alles Bach en de gemeenschappelijke factor is veel groter dan de bijzondere; nationaal kun je die muziek beslist niet noemen.
Met de romantiek verandert dat: in de mazurka’s van Chopin zijn dingen die wij typisch Pools vinden; de vijf van _Het machtige hoopje’ hebben aparte Russische trekken; bij Grieg vinden we noordelijke klanken en bij Dvorak horen we de Tsjechische wouden ruisen. En zelfs daar, waar Bartók geen Hongaarse liederen citeert, hebben zijn thema’s melodisch en ritmisch en qua sfeer iets over zich, wat als typisch Hongaars kan gelden. In die zin komen we met Folkertsma niet ver. Hooguit zou je Fries kunnen noemen: het niet verder springen dan je polsstok lang is; het compacte; niet zemelen, het eerlijke, recht voor de raap, geen pathetiek of retoriek. Wat Douwe Kalma van Gysbert Japix heeft gezegd: beheerste emotionaliteit.

Sinds 1989 werkt de Paulus Folkertsma Stichting aan hernieuwde belangstelling voor Folkertsma zowel door uitvoeringen als uitgaven van zijn werk. In 1992 kreeg de VPRO programmeur Han Reiziger interesse in het werk van Folkertsma en verzorgde in zijn radioprogramma Het Portret een uitzending met bespreking en verklanking van Folkertsma’s werk. De toen verschenen cd Paulus Folkertsma met niet minder dan zeventien composities laat duidelijk horen dat Folkertsma een componist is die wat te zeggen heeft. Hierop staan onder meer de cantate Wer binn’ de fjilden grien en het strijkkwartet In memoriam. In 2002 verscheen een tweede cd Mimerij met twee pianosonates en dertien sololiederen. De handschriften van Folkertsma’s muziek zijn te raadplegen in het Frysk Muzyk Argyf dat ondergebracht is in de Openbare Bibliotheek Leeuwarden.

Dr. B. Smilde is muziekwetenschapper en theoloog. Hij publiceerde eerder over onder meer Folkertsma en andere componisten uit het Friese heden en verleden..